Nederlandse adeldom via de vrouwelijke lijn

Een afstammeling – via de vrouwelijke lijn – van een Nederlandse adellijke familie vroeg mij onlangs of hij kon worden erkend te behoren tot de Nederlandse adel. Ik moest hem helaas teleurstellen.

Juridisch kader

Volgens vaste jurisprudentie van de Raad van State gaat adeldom in Nederland alleen over via de mannelijke lijn:

Gelet op de vaste rechtspraak van de Afdeling (uitspraken van 5 april 2006 in zaak nr. 200505679/1 en van 22 juli 2009 in zaak nr. 200807914/1), is van discriminatie geen sprake als er voor het maken van onderscheid in het licht van de doelen van de van toepassing zijnde regeling redelijke en objectieve gronden bestaan. In dit verband dient de vraag te worden beantwoord of er voor het verschil in behandeling tussen buitenechtelijke kinderen van een adellijke vader geboren vóór 1 augustus 1994 enerzijds en buitenechtelijke kinderen van een adellijke vader die daarna zijn geboren anderzijds een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat. De adel is een historisch gegroeid instituut dat zijn bestaansrecht uitsluitend ontleent aan dat historische karakter. Met het naar eigentijdse denkbeelden wijzigen en inrichten van het instituut zal dit instituut zijn grondslag verliezen. Uitgangspunt bij het wetsvoorstel was gelet daarop, het beleid ten aanzien van adeldom en het geldende adelsrecht te handhaven. De modernisering is daarom beperkt tot na 1 augustus 1994 buiten het huwelijk geboren kinderen van een adellijke vader. Gelet hierop bestaat voor het onderscheid een objectieve en redelijke rechtvaardiging.

Commentaar

Poster van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht.
Bron: Collectie IAV-Atria, kennisinstituut voor emancipatie en vrouwengeschiedenis. Vervaardigd door Th. Molkenboer, 1918.

De logica waarom een historisch gegroeid instituut zijn bestaansrecht uitsluitend ontleent aan dat historische karakter en zijn grondslag verliest als adeldom via de vrouwelijke lijn overgaat, ontgaat mij. Naar mijn mening is de overweging van de Raad van State denigrerend ten aanzien van vrouwen; het zijn kennelijk (als je de overweging leest) inferieure wezens die niet in staat zijn om een historisch instituut ‘in ere’ te houden. Laat het helder zijn: zonder vrouwen kan er geen adel zijn omdat alleen vrouwen kinderen kunnen krijgen. Voorgaande standaard-overweging van de Raad van State is een uitvloeisel van een politiek spelletje en heeft niets met recht te maken. Het is zeer ernstig dat de Raad van State zich hiervoor leent. Ik zal dit nader toelichten aan de hand van een vergelijking met het vrouwenkiesrecht.

Vergelijking met vrouwenkiesrecht

In de grondwet van 1882 werd gesproken van ‘Nederlanders’ als het ging om het kiesrecht. Vrouwen waren volgens de letter van de wet dus niet uitgesloten van het kiesrecht. Toen de arts Aletta Jacobs zich in 1883 als eerste vrouw op de kiezerslijst wilde laten zetten in Amsterdam, werd zij geweigerd. Tot drie keer toe kreeg mevrouw Jacobs nul op haar rekest: eerst van de gemeente Amsterdam, vervolgens van de arrondissementsrechtbank en tenslotte van de Hoge Raad.

Hoewel de grondwet het kiesrecht aan meerderjarige Nederlanders met een bepaald inkomen toekende, stelde de Hoge Raad dat ‘Nederlander en ingezetenen alleen slaat op de mannen, anders ware dit afzonderlijk vermeld’. Ons hoogste rechtscollege overwoog dat (Schokking 1958, p. 24):

de rechtbank (…) terecht heeft beslist, dat het ten enemale onaannemelijk is, dat het in de bedoeling van de Nederlandsche wetgever bij de herziening der Grondwet in 1848 zoude hebben gelegen, om, in afwijking van destijds bestaande toestanden en geldende beginselen van Staatsrecht, het stemrecht aan vrouwen toe te kennen; dat toch, ware deze uitbreiding van het kiesrecht door de wetgever beoogd, dit allergewichtigst beginsel ongetwijfeld in duidelijke en ondubbelzinnige termen in de Grondwet en diensvolgens in de Kieswet van 1850 zoude zijn uitgesproken, wat echter niet is geschied.

Net als met de weigering van de adeldom via de vrouwelijke lijn werd ‘de geest der wet’ belangrijker geacht: “. Bij de Grondwetsherziening van 1887 werd het kiesrecht uitgebreid tot kiezers die ‘over tekenen van welstand en bekwaamheid beschikten’, maar er werd ook uitdrukkelijk opgenomen dat alleen mannelijke ingezetenen kiesrecht hadden. Er zou dus een nieuwe grondwetswijziging nodig zijn om vrouwenkiesrecht mogelijk te maken. Pas in 1917 werd in Nederland het passief kiesrecht voor vrouwen ingevoerd. Vrouwen konden toen voor politieke functies gekozen worden, maar mochten niet zelf stemmen. In 1919 kregen vrouwen eindelijk het felbegeerde actief kiesrecht, waardoor ze zelf mochten stemmen.

Aan het weigeren om adellijke titels (die volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens een onderdeel van de naam zijn; zie de door mij behandelde zaak: EHRM 18 mei 1999, zaaknr. 45908/99) over te laten gaan via de vrouw, liggen dezelfde ‘objectieve’ overwegingen ten grondslag: de geest van de wet. Ik meen dat de term zombie overwegingen beter de lading dekken. Zelfs in 2007 werden dergelijke zombies nog van stal gehaald bij de totstandkoming van de uitspraak van de Raad van State. Hierin werd beslist dat de Staatkundig Gereformeerde Partij gesubsidieerd moest worden ondanks dat de partij een vrouw-onvriendelijk beleid hanteert ten aanzien van het kiesrecht. Zoals J. Peeters en K. Bleeker in 2008 terecht constateren, een niet te vatten redenering:

Het blijft voor ons toch moeilijk te vatten dat een partij als de SGP, die vrouwen rechtstreeks discrimineert, nog steeds serieus genomen wordt (was zelfs recentelijk nog even bij de kabinetsformatie betrokken). Men kan dit toch moeilijk afdoen als een gevolg van de eis van pluriformiteit die ons democratisch bestel kenmerkt? Dat wordt toch niet minder gekenmerkt door het verbod van discriminatie van vrouwen? Misschien wordt de SGP door velen gezien als een rariteit in ons bestel en niet bedreigend. Men moet dan niet vergeten dat de SGP lokaal in sommige gemeenten een dominante rol speelt. Zelfs wanneer men in de afweging tussen de pluriformiteit van de ABRS [Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, red.] en het discriminatieverbod van het Hof kiest voor pluriformiteit betekent dat toch niet per se dat de SGP actief gesteund moet worden middels subsidie. Wat dit aangaat zijn de vrouwenrechten er niet op vooruitgegaan met de uitspraken van de ABRS en het Hof.

Conclusies

Het is voor mij – en gelukkig voor veel anderen – een enigma dat vrouwen nog steeds geen adeldom kunnen overdragen omdat daarmee het ‘historisch instituut zijn grondslag verliest’. Alleen als de vrouw lid is van het Koninklijk Huis wordt de zombie teruggestuurd naar de plaats waar hij vandaan komt; dan is overerving van adeldom in de vrouwelijke lijn wel mogelijk en verliest het historisch instituut zijn grondslag kennelijk niet. Ik begrijp het niet.

Literatuur

  • Atria; BWN; BWSA; PDC ; W.F. Bynum and Helen Bynum red., Dictionary of Medical Biography (Oxford 2007);  Bonnie Smith red., The Oxford Encyclopaedia of Women in World History (Oxford 2008).
  • Schokking, J.C. De vrouw in de Nederlandse politiek. Emancipatie tot actief Burgerschap, Assen, 1958.
  • Peters, J. & K. Bleeker (2008). Staat moet SGP aanpakken maar ook subsidiëren: over botsende competenties en grondrechten, NJB nr. 10, 7 maart 2008, p. 556-563.

Bijlage – Wet op de Adeldom

Wet van 10 mei 1994, houdende regeling inzake de adeldom

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat op grond van additioneel artikel XXV van de Grondwet een voorziening moet worden getroffen ter zake van de adeldom;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel 1

Adeldom wordt verleend bij koninklijk besluit. De verlening kan uitsluitend geschieden aan Nederlanders.

Artikel 2

1 De verlening van adeldom geschiedt door verheffing, inlijving of erkenning.

2 Verheffing in de adel bij koninklijk besluit kan uitsluitend plaatsvinden ten aanzien van leden van het koninklijk huis en van voormalige leden daarvan binnen drie maanden na verlies van het lidmaatschap van het koninklijk huis.

De verlening van de titels «Prins (Prinses) der Nederlanden» en «Prins (Prinses) van Oranje-Nassau» wordt bij of krachtens de Wet lidmaatschap koninklijk huis bepaald.

3 Inlijving in de Nederlandse adel kan slechts plaatsvinden ten aanzien van personen wier geslacht behoort tot de wettelijk erkende adel van een staat met een vergelijkbaar adelsstatuut en die het verzoek tot inlijving hebben gedaan.

    • a.te zamen met het verzoek tot verlening van het Nederlanderschap;

    • b.te zamen met het afleggen van de verklaring ter verkrijging van het Nederlanderschap door optie;

    • c.te zamen met het bereiken van de meerderjarigheid bij de verkrijging van het Nederlanderschap van rechtswege indien de vader van de verzoeker het Nederlanderschap niet van rechtswege heeft verkregen.

4 Erkenning te behoren tot de Nederlandse adel kan uitsluitend plaatsvinden ten aanzien van personen die behoren tot een geslacht dat voor 1795 reeds tot de inheemse adel behoorde.

Artikel 3

Adeldom gaat ook volgens de bestaande regelingen met betrekking tot adeldom over op buiten het huwelijk geboren kinderen.

Artikel 4

Bij de verlening van adeldom zijn taxa verschuldigd. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels omtrent de taxa gesteld.

Artikel 5

Adeldom wordt vermeld op officiële documenten waar dit vereist is, tenzij de betrokken persoon verzoekt, de vermelding achterwege te laten of te verwijderen.

Artikel 6

1 Er is een Hoge Raad van Adel.

2 De Raad heeft tot taak Onze Minister van Binnenlandse Zaken te adviseren over verzoeken tot verlening van adeldom.

3 De Raad is samengesteld uit vijf leden, die bij koninklijk besluit worden benoemd en ontslagen.

Artikel 7

1 [Red: Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]

2 De bestaande regelingen met betrekking tot adeldom en de Hoge Raad van Adel kunnen worden gewijzigd bij algemene maatregel van bestuur.

Artikel 8

Inlijving in de Nederlandse adel kan plaatsvinden ten aanzien van personen wier geslacht behoort tot de wettelijk erkende adel van een staat met een vergelijkbaar adelsstatuut en daartoe een verzoek om inlijving hebben gedaan binnen vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wet.

Artikel 9

Deze wet kan worden aangehaald als Wet op de adeldom.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te ‘s-Gravenhage, 10 mei 1994

Beatrix

De Minister van Binnenlandse Zaken,

E. van Thijn

Uitgegeven de tweede juni 1994

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin

Adellijke titels en het Nederlandse strafrecht

Wapen van Franz Arnold von Wolff-Metternich zur Gracht, Fürstbischof van Paderborn en Münster, op de St. Josephskirche in Delbrück-Westenholz - foto: Daniel Brockpähler
Wapen van Franz Arnold von Wolff-Metternich zur Gracht, Fürstbischof van Paderborn en Münster, op de St. Josephskerk in Delbrück-Westenholz – foto: Daniel Brockpähler

Oorspronkelijk was het bij de invoering van de Wet op de adeldom de bedoeling om de regels over verwerving van adeldom door afstamming te codificeren zonder daarin enige verandering aan te brengen. Aan een historisch gegroeid instituut, dat zijn wortelen heeft in een traditie die juist ongelijkheid van mensen accentueert, moet men niet gaan sleutelen, aldus de mening van de toenmalige minister Dales. Maar het parlement wilde anders: door middel van amendementen werd bepaald dat ook door adoptie en dat door buiten huwelijk geboren kinderen adeldom kon worden verworven. Een amendement dat voorstelde om het mogelijk te maken, dat ook adellijke dames hun adel aan hun kinderen kunnen doorgeven werd echter verworpen. Een dergelijke mogelijkheid zou het aantal leden van de adel te sterk doen toenemen, zo vond het parlement destijds. Wat hieraan zo erg is, wordt niet duidelijk. Deze kinderachtige opstelling kreeg jaren later een merkwaardig gevolg.

Op 8 juli 2011 veroordeelde de kantonrechter in Maastricht een zoon van een tot de Nederlandse adel behorende adelijke gravin Wolff Metternich tot een geldboete van € 300, subsidiair zes dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De moeder voerde rechtmatig de titel ‘gravin’ en de zoon verkreeg bij Koninklijk Besluit de naam van de moeder, maar de minister weigerde de titel ook in te schrijven in de filiatieregisters. De rechter vond dat art. 435 Sr. was overtreden:

Artikel 435. Met geldboete van de tweede categorie wordt gestraft: 1 hij die zonder daartoe gerechtigd te zijn een Nederlandse adellijke titel voert of een Nederlands ordeteken draagt; (…)

Het betrof een oude familie die bij besluit van Keizer Ferdinand II van 21 januari 1637 (in de persoon van Johann Adolf von Wolff Mettemich) werd verheven tot baron van het Heilige Roomse Rijk der Duitse Natie. Bij besluit van Keizer Karel VI van 17 mei 1731 werd Franz Joseph von Wolff-Metternich zur Gracht verheven tot graaf van het Heilige Roomse Rijk der Duitse Natie. Bij KB van 8 april 1884 werd Levin Max Paul Maria Hubert graaf Wolff-Mettemich (tak uitgestorven in 1972) en bij KB van 10 december 1925 werd Hermann Joseph Ferdinand Aloysius Hubertus Maria Anna graaf Wolff-Metternich ingelijfd in de Nederlandse adel met de titel van graaf en gravin voor al hun wettige nakomelingen. De laatste van dit Nederlandse adellijke geslacht is Eugenie Maria Mechtildis Huberta Theodora Thaddeus gravin Wolff Metternich (1923). Dat een (biologische) nakomeling-naamsdrager wel beboet kan worden en een geadopteerd kind niet, bewijst dat het Nederlandse systeem eerder een historisch gedrocht is geworden dan een historisch instituut is gebleven.

In het boek van E.J. Wolleswinkel over het Nederlandse adelsrecht en in het betreffende jaarverslag van de Hoge Raad van Adel wordt beweerd dat de zoon de titel ‘graaf ‘ voerde. Dit is een bewuste onwaarheid omdat de heer Wolleswinkel bij de behandeling van de zaak gezapig achterin de zaal zat te genieten en dus goed van de feiten op de hoogte is. In de uitspraak is expliciet de titel ‘Graaf ‘ opgenomen, zoals de zoon ook expres voerde om geen verwarring te laten ontstaan. Dit lijkt op het eerste gezicht irrelevant, maar de schijn bedriegt. ‘Graaf’  met een hoofdletter is immers een Belgische adellijke titel en een Nederlandse voornaam. De Nederlandse adellijke titel ‘graaf’ wordt met een kleine letter geschreven. Dit verschil wordt in het rode boekje altijd gemaakt. De rechter heeft dus in al zijn onnozelheid iemand bestraft die een Belgische adellijke titel in Nederland voerde, terwijl de wet alleen het wederrechtelijk voeren van een Nederlandse adellijke titel strafbaar stelt. Door J.W. Fokkens en A.J. Machielse is het verbod van art. 435 WvSr in het standaardwerk van Noyon, Langemeijer en Remmelink als volgt samengevat: “Reeds het voeren van een Nederlandse adellijke titel op zich zelf zou voldoende moeten zijn, tenzij er nochtans aanwijzingen zijn, dat men een buitenlandse titel voert, hetgeen dus met de in meer talen voorkomende titel baron het geval kan zijn (…)”. Bovendien is het voeren van “Graaf” als Nederlandse voornaam natuurlijk ook niet strafbaar. Een totale misslag dus van een rechter die er niks van snapte. Door Wolleswinkel is deze misslag op een goedkope manier verdraaid, nota bene in een proefschrift. Dit doet niet alleen ernstig afbreuk aan zijn wetenschappelijke en ambtelijke integriteit, maar ook aan zijn deskundigheid.

Literatuur: